Monnikskruid is een oudere benaming voor de kapucijnskruid (Tropaeolum majus), waarvan de geneeskrachtige werking al in de 16e eeuw bekend was. Het uiterlijk van de bloemen en de naam verwijzen naar de traditionele kleding van monniken. Oorspronkelijk groeide de plant in het Andesgebergte, waar inheemse stammen haar gebruikten voor genezing, versterking en het bevorderen van de wondgenezing. Later kwamen mensen uit de hele streek naar de kruidendokters voor haar geneeskrachtige erfenis: afkooksels, zalven en theeën, omdat zij de geheimen van de natuur beter kenden dan wie dan ook. In het kruidenboek van onze grootmoeder vonden we bij de kapucijnskruid de volgende beschrijving: een bloeiend wondermiddel dat geen kwaad doet, maar alleen helpt. Vandaag de dag kunnen ook wij profiteren van deze traditionele wijsheid, waarbij de voordelen wetenschappelijk zijn onderbouwd. Als je een blad van de kapucijnerpluis afbreekt, activeert de plant onmiddellijk een mechanisme voor snelle regeneratie en begint ze ‘wonden te herstellen’ en verder te groeien. Dankzij het brede spectrum aan bioactieve stoffen en de voedingswaarde behoort de kapucijner tot een waardevol onderdeel van de natuurgeneeskunde en ziektepreventie. De moderne